Ergens in het najaar van 1997 stond ik te plassen in een urinoir van het toiletcomplex van het stadhuis van Aken. Naast me stond Frans Brüggen te plassen – in een ander urinoir. Brüggen zou een uur later de Unesco-prijs uitgereikt krijgen, een onderscheiding voor het vergroten van wederzijds begrip tussen de volkeren der wereld. Even ervoor had hij mij tijdens de podiumrepetitie met Calefax een paar delen uit Bachs Kunst der Fuge horen spelen. De groep was daar op zijn uitnodiging, een enorme eer voor zo’n jong ensemble. Beiden nog nadruppelend werd duidelijk dat de meester mij een paar laatste woorden wilde toevoegen, maar nog even niet wist hoe dat aan te vliegen. Tijdens het handenwassen vroeg ik hem dus maar op de man af of ons spel hem een beetje beviel. “Prachtig!” riep hij, enigszins theatraal, uit. Er hing een komma in de lucht. “Nog tips?” “Eén”, zei hij. “Ademen: bij voorkeur vóór een stijgende lijn, niet een dalende. Anders breekt de spanningsboog van de zin.” Hij zong een klein stukje voor uit Contrapunctus I. Ik bedankte, en voegde me gelukzalig bij mijn groep.
Het is tekenend voor de grote maar bescheiden Frans Brüggen dat hij een groepje jeugdige houtblazers, waaronder zelfs een saxofonist, naar voren schoof om zijn feestje op te luisteren. De man die de authentieke uitvoeringspraktijk mede op de Europese kaart had gezet vond Calefax gewoon ‘prachtig’ spelen, en het donderde dus niet op welke instrumenten. Ruim een jaar later gaf hij ons les in de Keizersgrachtskerk, onderwerp wederom: Die Kunst der Fuge. De locatie was strategisch gekozen, want op loopafstand van zijn huis. Bijna schreef ik ‘kruipafstand’, want ook toen al was algemeen bekend dat Brüggen een goed glas moeilijk kon weerstaan, op welk moment van de dag ook. Twee ochtenden (wederom strategisch gekozen) dronken we zijn kennis in, kennis waaraan we elkaar heden ten dage nog regelmatig herinneren als er barok op de lessenaars staat. Het resultaat ervan is te horen op de Calefax-cd ‘Bach – Die Kunst der Fuge’ die we in het voorjaar van 2000 uitbrachten ter ere van Bachs 250ste sterfjaar.
Mijn liefde voor de Kunst der Fuge (KDF) stamde al van tien jaar daarvoor. Ik besloot destijds om Contrapunctus voor Contrapunctus voor te schotelen aan mijn kwintetkameraden, en zo te bouwen aan een muziekwetenschappelijk consistente en tevens meeslepende muzikale ervaring voor het publiek, en, met het oog op het maakproces, voor mijzelf. Maar de oeverloze zoektocht die het werd had ik destijds niet kunnen voorzien. Het gegoochel met het instrumentarium, het verdelen der stemmen, de juiste tempi, de volgorde der delen, het lezen en verwerken van literatuur over het stuk, de gevolgen die dat had voor mijn keuzes tot dan toe; ik denk dat ik iedere stem van het stuk wel driemaal heb uitgeschreven in verschillende transposities. En dan het slotdeel, als het dat echt is: Contrapunctus 14. Hoe dit onaffe maar zo prachtige stuk in te lijven? Zelf was ik nogal tegen het algemeen geaccepteerde concept om met de plots afbrekende noten ieder concert te beëindigen, een nogal drakerig drama scheppend, gestoeld op de woorden die Bachs zoon Emanuel onderaan de pagina noteerde: “Über diese Fuge (…) ist der Verfasser gestorben”. We hebben destijds verschillende, door musicologen vervaardigde uitwerkingen opgediept, gearrangeerd en op de lessenaar gezet, de een nog maffer dan de andere. Uiteindelijk werd het Emanuels doekje voor het bloeden, Bachs eigen koraalbewerking “Wenn wir in höchsten Nöthen sein” als slot, na het afbrokkelende Contrapunctus 14. De laatste paar keer hebben we, bij wijze van variatie, Kees van Houtens slot-uitwerking ingezet.
Of het nou door Frans kwam of niet, altijd ben ik de KDF blijven associëren met wijn. Dat komt waarschijnlijk omdat het uitvoeren van het stuk niet zozeer lijkt op een standaard concertervaring maar meer op een proeverij. Wij zijn er in de loop van de tijd aan gewend geraakt om het stuk, dat uiteenvalt in vijf delen, te spelen met steeds een korte ‘denkpauze’ ertussen. Die vier pauzes lenen zich perfect voor het inschenken van een (half) glas goede wijn, om even de benen te strekken en eventueel van plaats te wisselen. Op die manier ontstaat altijd weer een gemoedelijke huiskamerervaring waarbij de afstand tussen publiek en musici zo goed als nihil is. Dit seizoen mogen wij weer vier maal het geluk beleven om zo’n avond vorm te geven. Daar proost ik op.
(gepubliceerd in Blokfluitist 2014)