Kunst: de waarde van het nutteloze

Kunst: de waarde van het nutteloze

Leven is nutteloos. Het kan verrassend leuk zijn, maar niemand verplicht je ertoe: je kunt het ook niet doen. Hetzelfde geldt voor kunst. Kunst komt na water, voedsel, een vuurtje, een grot om in te wonen. Kunst geeft het leven glans, zegt men wel. Maar het hoeft niet. Je kunt zonder.

Om het leven zin te geven stoppen we het vol met moeten. We moeten een fijn inkomen verwerven, daartoe moeten we een goede opleiding volgen, we moeten een leuke partner vinden omdat je samen sterker staat dan alleen. En dan moeten we kinderen maken om ons leven te verrijken en om onze normen en waarden door te geven aan een volgende generatie. Dat gezin moeten we onderhouden en huisvesten. We moeten leuk voor de dag komen, want dat garandeert onze gunstige uitstraling naar buiten toe, en dus hullen we ons in moderne, actuele kleding, een goed kapsel en een passend model auto. Moeten is ook prettig: het geeft houvast, structuur, een doel. Een gevoel van veiligheid.

Kunst gaat over willen. In het dagelijkse bestaan is daar, vanwege al dat moeten, weinig ruimte voor. In de kunst mogen we dingen willen die eigenlijk niet zo mooi, actueel, blits, praktisch, gunstig, betaalbaar, haalbaar en maatschappelijk wenselijk zijn. Kunst biedt juist ruimte voor nutteloosheid. De waarde ervan is dan ook niet objectief vast te stellen.

Maar ook kunstenaars moeten veel. In de kunstwereld wordt naar elkaar gekeken. Daar heersen allerlei meningen over hoe kunst er uit zou moeten zien, zou moeten klinken, zich zou moeten verhouden tot de maatschappij. En vanuit de wereld erbuiten wordt met argusogen gekeken naar die nutteloze kunstenaar, die zich ondertussen het hoofd breekt over levensvragen: ‘wat wil ik?’, ‘wat zou ik moeten willen?’, ‘is wat ik wil niet eigenlijk een vermomd moeten?’, ‘welk moeten dien ik te vermijden?’. Een kunstenaar lijkt vrij, maar voldoet toch vaak aan allerlei verwachtingen. En denkt de kunstenaar echt iets authentiek te willen, dan blijkt later soms dat er toch, onbewust, een moet-mechanisme aan het werk is geweest. Dwingende ogen van grootheden uit het verleden kijken over de schouder van de kunstenaar heen. Lukt het een kunstenaar dan toch echt om iets te creëren dat alle verwachten overstijgt, dan is er sprake van een waarlijk vrij kunstwerk. Het willen heeft gezegevierd.

Hier had ik een pleidooi willen schrijven over waarom het heel logisch is dat niet-kunstenaars, die leven in de luwte van een gereguleerd en doelmatig bestaan­, geld besteden aan kunstenaars omdat die het leven vormgeven zoals niet-kunstenaars dat (om uiteenlopende redenen) niet durven, en de taak op zich nemen om het leven (voor menigeen) verdieping te geven met hun zoektocht naar het willen. Dat zou mij misschien nog wel gelukt zijn, maar ik wilde toewerken naar de wenselijkheid van (overheids-)subsidie. Al maanden ben ik hierover met mezelf in gesprek. Zelf leef ik voornamelijk van inkomsten die uit subsidies worden betaald; misschien dertig procent van mijn verdiensten komen uit private middelen. Toch lukte het mij niet om een sluitend pleidooi te houden vóór kunstsubsidies. Als gedachteoefening probeerde ik toen het omgekeerde te doen. Dat bleek onthutsend veel makkelijker.

Een pleidooi tegen kunstsubsidies
(een provocerend gedachte-experiment waar ik zelf ook niet blij van word…)

Juist mensen met een kunstbehoefte hebben in het algemeen een goede opleiding genoten. Die ze tevens in een goede inkomenspositie heeft gebracht. Die mensen moeten die kunstconsumptie dan toch prima zelf kunnen bekostigen? Waarom zou de overheid dat moeten subsidiëren?

Veel mensen houden van voetbal. Ik ook. Ik voetbal zelf en vind het leuk om professionele voetballers ongelooflijk knappe dingen te zien doen op tv en mee te leven met het wel en wee van mijn favoriete club(s) en spelers. Het is daarbij boffen dat, een uitzondering daargelaten, deze vorm van vertier zichzelf terugverdient: er hoeft niet veel overheidsgeld naar toe (ik laat de discussie over de kosten van het beheersen van hooligan-gedrag hier even buiten beschouwing. Ik weet dat dat in verband staat met professioneel voetbal, maar voor mij hoort dat er niet bij).

Mensen die werkzaam zijn in de kunsten proberen tegenwoordig vaak ‘kunst aan de (gewone) man/vrouw te brengen’. Het feit dat kunstonderwijs niet beter vertegenwoordigd is in het onderwijscurriculum is hen een doorn in het oog. Zou dat wel zo zijn, dan zouden bredere bevolkingsgroepen langzaam maar zeker meer doordrongen worden van het belang van kunst. Maar: willen die mensen dat wel? Andere dingen dan kunst kunnen het leven ook verrijken: we vinden nou eenmaal niet allemaal dezelfde dingen de moeite waard. Is kunst echt zo belangrijk voor iedereen? Zozeer dat we er van rijkswege geld aan moeten uitgeven, terwijl heel veel mensen die daar aan meebetalen er nooit van profiteren? Is deze ‘nobele’ vorm van propaganda niet gewoon een manier om het kunstenaarshachje te redden? Veel mensen beleven immers meer plezier aan profvoetbal, fanfaremuziek, bloemencorso’s of andere ongesubsidieerde vormen van entertainment.